the-syringe-1291127

Een metamorfose van de Faillissementswet: over het spuiten van botox in deze wet

Door: Niels van der Neut*

Mede door de vele faillissementen heeft de pre-pack bijna vijf jaar lang de kranten en literatuur gedomineerd. Dit aanvankelijk zonder wettelijke basis, maar 21 juni jongstleden is daar verandering in gekomen met de aanname van de WCO I, waarmee de pre-pack een codificatie krijgt. De volgende pre-packs kregen veel aandacht in de media: Schoenenreus op 28 januari 2013, Ruwaard van Puttenziekenhuis op 28 juni 2013, De Harense Smit op 1 juli 2013, Marlies Dekkers op 21 augustus 2013, Heiploeg op 28 januari 2014 en Estro op 5 juli 2014.[i] Maar wat houdt de pre-pack precies in? Wat gaat veranderen met deze nieuwe wet? Moeten we met zijn allen de pre-pack omarmen of is de hervorming van de Faillissementswet er een om bang van te worden?

Een ‘normaal’ faillissement
Een rechter kan – kort gezegd – een onderneming, hetzij op eigen aangifte, hetzij op aanvraag van een of meerdere schuldeisers, failliet verklaren als deze in een toestand verkeert waarin zij is opgehouden te betalen ten aanzien van ten minste twee verschillende schuldenaren, het zogenoemde pluraliteitsvereiste (art 1 lid 1 jo. 6 Fw). De rechter dient tevens aan de hand van de beschikbare feiten en omstandigheden vast te stellen of deze toestand daadwerkelijk aanwezig is.[ii] Bij het uitspreken van het faillissement stelt de rechtbank een curator aan, die de verantwoordelijkheid krijgt over het beheer en de vereffening van het vermogen van de onderneming (art. 68 Fw). Daarnaast wordt een rechter-commissaris benoemd, die toezicht houdt op het handelen van de curator (art. 64 Fw). De faillissementsprocedure is primair gericht op liquidatie. Liquidatie is het sluiten van de onderneming gevolgd door losse verkoop van de activa. De curator heeft, naast de mogelijkheid tot liquidatie[iii], de keuze (de levensvatbare onderdelen van) de onderneming te verkopen indien de waarde van de activa bij het voorzetten van de onderneming, oftewel: de going concern waarde, de liquidatiewaarde overtreft. Dit wordt een doorstart genoemd. Normaliter wordt bij de doorstart de activa van de onderneming geheel of gedeeltelijk verkocht en worden de (bedrijfs)activiteiten hervat in een andere onderneming. De gekochte bedrijfsonderdelen gaan dan als het ware over en de schulden blijven achter, waarna de bedrijfsonderdelen onder de doorstarter aanvangen met een ‘schone lei’. Het is echter niet noodzakelijk dat de (bedrijfs)activiteiten worden voortgezet in een andere onderneming, aangezien de onderneming kan blijven bestaan indien een akkoord wordt aangeboden en dit wordt aanvaard (art. 138 Fw).[iv] Bovendien is een doorstart mogelijk via een aandelentransactie.[v]

Bij het onderzoeken van een doorstart opereert de curator in een snelkookpan: hij heeft zeer beperkt de tijd de onderneming going concern te verkopen. In deze korte tijd dient de curator taxatierapporten te laten opstellen, potentiële kopers te benaderen en deze potentiële marktpartij, waar nodig, informatie te verschaffen over de onderneming.[vi] Als gevolg van de beperkte tijd bij een faillissement is de verstrekte informatie zelden uitgebreid en wordt voornamelijk de tastbare activa in kaart gebracht. Ook een due diligence onderzoek behoort zodoende niet tot de mogelijkheden. Ondertussen wordt de onderneming weifelend voortgezet, voor zover de onderneming niet in zijn geheel stilligt.[vii] De potentiële kopers hebben kort de tijd de informatie tot zich te nemen, terwijl met name een goede informatieverschaffing de werkelijke waarde van de onderneming reflecteert. Derhalve stellen Tollenaar[viii] en Noordam[ix] dat de hoogte van de biedingen slechts in sporadische gevallen in de buurt komt van de werkelijke going concern waarde van de onderneming. Tevens leidt een faillissement doorgaans tot chaos: leveringen worden (per direct) stopgezet, retentierechten worden ingeroepen en overeenkomsten worden beëindigd. Hierdoor blijft vrijwel niets van het bedrijf (en de aanvankelijk geschatte waarde) over en kan een doorstart in wezen niet worden gerealiseerd.[x]

De curator is bevoegd het bedrijf van de gefailleerde voort te zetten indien dit in het belang van de boedel is (art. 98 Fw). Zoals reeds aangehaald is door het tijdsverloop de kans groot dat de going concern waarde daalt. Daarnaast worden de kosten van deze voortzetting gekwalificeerd als boedelschulden, waarmee dit ten laste van de boedel komt.[xi] Een groot deel van de genoemde negatieve aspecten van een faillissement – zoals het dalen van de going concern waarde, de maatschappelijke onrust, de reputatieschade en het afnemen van de werkgelegenheid – kunnen bij de (voortzetting en) doorstart van de onderneming worden gematigd door een curator voorafgaand aan een faillissement de mogelijkheid te bieden in alle rust een doorstart te onderzoeken. Het voordeel van deze pre-pack is vooral gelegen in het feit dat de curator al voor het faillissement betrokken raakt bij de in zwaar weer verkerende onderneming, waardoor hij onder meer voldoende tijd heeft deugdelijke informatie te verschaffen, partijen de mogelijkheid kan bieden tot het verrichten van een adequaat onderzoek en een gedegen verkoopproces kan verzorgen. Hierdoor wordt – in de meeste gevallen – een hogere opbrengst gerealiseerd en vindt de voortzetting van de onderneming naadloos plaats in onmiddellijke aansluiting op de faillietverklaring, met maximaal behoud van de waarde en werkgelegenheid. Vanuit deze gedachte riep Tollenaar in 2011 als eerste op de pre-pack in Nederland te introduceren.[xii]

Het startschot van Tollenaar heeft uiteindelijk geleid tot het aannemen van de WCO I op 21 juni 2016, waarmee de pre-pack een wettelijke basis gekregen. Hiervoor boden enkel de rechtbanken Midden-Nederland, Overijssel en Limburg – bij gebreke van een wettelijke basis – geen mogelijkheid tot een pre-packprocedure.[xiii] Dit kon leiden tot forumshopping in de vorm van het verplaatsen van de statutaire zetel naar een arrondissement waar wel medewerking wordt verleend ten aanzien van de pre-pack. In de Estro-zaak[xiv] werd de statutaire zetel verplaatst van Amersfoort (Midden-Nederland) naar Amsterdam.[xv]

Opgemerkt dient nog te worden dat de pre-pack – haast uiteraard te noemen – ook tegenstanders kent. De critici wijzen vooral op de geringe marketingactiviteiten en het gebrek aan transparantie doordat de pre-pack in stilte wordt voorbereid.[xvi]

De betekenis van de term pre-pack
De pre-pack, ook wel ‘flitsfaillissement’ genoemd, was voor de komst van de WCO I geen eenduidig begrip.[xvii] Door de wet is de pre-pack inmiddels als een schilderij met dikke verfstrepen ingekleurd. Dit brengt mee dat ik de volgende definitie om de nek van de pre-pack durf te hangen: op verzoek van een in financieel zwaar weer verkerende schuldenaar wordt in beslotenheid – voorafgaand aan een eventueel faillissement – een beoogd curator gerechtelijk benoemd, waarbij onder toezicht van een beoogd rechter-commissaris een activatransactie wordt voorbereid, die zoveel mogelijk de overgang van onderneming going concern direct na faillissement beoogt te effectueren.

Het voordeel van de pre-pack is vooral gelegen in het feit dat de curator voor het faillissement betrokken raakt bij de in zwaar weer verkerende onderneming, waardoor hij onder meer voldoende tijd heeft deugdelijke informatie te verschaffen, partijen de mogelijkheid kan bieden tot het verrichten van een adequaat onderzoek en een gedegen verkoopproces kan verzorgen. Hierdoor wordt – in de meeste gevallen – een hogere opbrengst gerealiseerd en vindt de voortzetting van de onderneming naadloos plaats in onmiddellijke aansluiting op de faillietverklaring, met maximaal behoud van de waarde en werkgelegenheid. Kortom, de pre-pack introduceert een reëel herstructureringsmiddel in het Nederlandse faillissementsrecht.[xviii]

Vanaf het moment dat het faillissement is uitsproken, heeft de curator altijd dezelfde taak en bevoegdheden, ongeacht het feit of voor de faillietverklaring al dan niet een pre-packprocedure heeft afgespeeld. Bij een pre-pack heeft de curator enkel al (voor)kennis van de onderneming en de al gemaakte plannen, respectievelijk bereikte onderhandelingsresultaten. Hierdoor kan hij sneller – en vermoedelijk beter – beslissingen nemen.[xix]

Ondanks dat de pre-pack voorsorteert op een faillissement, betekent dit niet dat het automatisch leidt tot een faillissement. Indien de financiële problemen kunnen worden opgelost buiten het faillissement om, dan geniet dit de voorkeur en sterft de pre-pack – zoals Verstijlen het haast poëtisch verwoord – in schoonheid.[xx]

De vormgeving van de WCO I
De WCO I is zeer beknopt. De Faillissementswet wordt uitgebreid met titel IV: ‘Aanwijzing van een beoogd curator of beoogd bewindvoerder en een beoogd rechter-commissaris’.[xxi] De mogelijkheid tot aanwijzing van een beoogd curator omvat het volgende doel: het faciliteren van een gestructureerde en doeltreffende afwikkeling van faillissementen en het stimuleren van – waar dit realiseerbaar blijkt – een doorstart van de levensvatbare bedrijfsonderdelen[xxii].[xxiii] Het oogmerk is het voorkomen van onnodig waardeverlies ten nadele van de gezamenlijke schuldeisers en het zoveel mogelijk behouden van de werkgelegenheid.[xxiv]

Het pre-packverzoek
De WCO I schrijft onder meer voor dat de rechtbank op verzoek van een schuldenaar ter voorbereiding van een dreigend faillissement[xxv] één of meer personen kan aanwijzen die – mocht het faillissement worden uitgesproken – zullen worden aangesteld als curator, oftewel: de al bestaande pre-packpraktijk wordt hierdoor gespecificeerd en gecodificeerd (art. 363 lid 1 Fw).[xxvi]

In het kader van het doel van de voorgestelde regeling honoreert de rechtbank een dergelijk verzoek slechts ingeval de schuldenaar bij zijn verzoek aannemelijk maakt dat deze voorbereiding meerwaarde heeft in deze specifieke situatie. Het vereiste van het aannemelijk maken van de meerwaarde is mede gecreëerd om misbruik of oneigenlijk gebruik van de regeling (zoveel mogelijk) uit te sluiten.[xxvii]

De meerwaarde moet ‘summierlijk blijken’, hetgeen betekent dat de rechtbank na een kort, maar kritisch onderzoek moet kunnen vaststellen of een reden aanwezig is een beoogd curator aan te wijzen (art. 363 lid 2 Fw).[xxviii] Dit komt erop neer dat de schuldenaar moet aantonen dat een reële kans op een faillissement bestaat, maar dat hij nog wel in staat is zowel zijn lopende – als nieuwe betalingsverplichtingen te voldoen.[xxix] Tevens moet hij de meerwaarde aantonen, die aanwezig wordt geacht indien deze voorbereiding de schade, die voor de betrokken ontstaat bij een regulier (onvoorbereid) faillissement, kan beperken (art. 363 lid 1 Fw).[xxx] Hierbij kan gedacht worden aan het belang van de gezamenlijke schuldeisers, die is gediend als de boedelopbrengst zo hoog mogelijk is, waardoor het essentieel is dat de onderneming zo weinig mogelijk waarde verliest.

Mocht de meerwaarde worden aangetoond, dan verbindt de rechtbank aan deze aanwijzing in beginsel een termijn van ten hoogste twee weken (art. 363 lid 3 Fw).[xxxi] Tegelijkertijd kunnen aan de aanwijzing voorwaarden worden verbonden (art. 363 lid 4 Fw).[xxxii] Bij de honorering van het verzoek wordt – naast een beoogd curator – een beoogd rechter-commissaris benoemd (art. 365 lid 1 Fw). De beoogd rechter-commissaris fungeert voornamelijk als toezichthouder van de beoogd curator (art. 365 lid 2 Fw).[xxxiii] De transacties, die voorafgaand aan het faillissement worden voorbereid, dienen goedgekeurd te zijn door de beoogd rechter-commissaris alvorens over kan worden gegaan tot verwezenlijking van deze transacties op grond van de art. 101 lid 1 en 176 Fw.[xxxiv]

De taak van de beoogd curator
De beoogd curator neemt bij zijn handelen voortdurend de taak van de curator als uitgangspunt[xxxv], waarbij hij niet is gehouden tot opvolging van instructies van de schuldenaar of meerdere van diens schuldeisers (art. 364 lid 2 Fw).[xxxvi] Op de schouders van de beoogd curator rust de taak de inherente nadelen van de pre-pack – het gebrek aan transparantie en de eventuele negatieve gevolgen betreffende de prijsvorming – te redresseren. Met zijn (beperkte) bevoegdheden moet hij zorg dragen voor de bevordering van adequate taxaties, het aanboren van voldoende vraag, het verschaffen van adequate informatie aan gegadigden en het tegengaan van manipulatie vanuit een gelieerde partij.[xxxvii] Hierin is het uitgangspunt dat de beoogd curator enerzijds een onafhankelijke positie inneemt en anderzijds dat hij nooit naar buiten treedt of handelingen verricht met betrekking tot de onderneming zonder toestemming van de schuldenaar.[xxxviii] De aanwijzing van een beoogd curator brengt, in tegenstelling tot de aanwijzing van een reguliere curator, geen verandering in de beheers- en beschikkingsbevoegdheid[xxxix] van de schuldenaar of in de wettelijke en statutaire bevoegdheidsverdeling mee.[xl] De beoogd curator wordt dan ook niet gezien als adviseur of toezichthouder van de onderneming, heeft geen betrekking of bevoegdheden binnen de onderneming en heeft jegens de onderneming geen enkele verplichting, behoudens zijn verplichting tot geheimhouding. De beoogd curator heeft de taak (kritisch) mee te kijken, zich te laten informeren en een oordeel te vormen over de gang van zaken binnen de onderneming, waarbij hij met name acht slaat op de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.

Einde beoogd curator

De beoogd curator wordt van zijn taken ontheven op verzoek van de beoogd rechter-commissaris, de schuldenaar, één of meer schuldeisers of op eigen verzoek (art. 366 lid 1 Fw), hetzij van rechtswege door het verstrijken van de uit art. 363 lid 3 Fw voortvloeiende termijn, dan wel door faillietverklaring (art. 366 lid 2 Fw).[xli] Hierna rust op de beoogd curator enkel nog de plicht binnen zeven dagen een verslag van zijn bevindingen tijdens de periode vanaf de aanwijzing uit te brengen (art. 366 lid 3 Fw).[xlii] Het verslag dient bij de griffie te worden ingediend, waar een ieder dit kosteloos kan inzien, maar – gelet op het besloten karakter van de aanwijzing – pas nadat de schuldenaar failliet is verklaard (art. 366 lid 4 Fw).[xliii] Het biedt de schuldeisers de gelegenheid informatie tot zich te nemen over hetgeen zich heeft voorgedaan in de fase voorafgaand aan het faillissement. Dit draagt bij aan het maatschappelijk draagvlak voor de pre-pack en biedt bovendien enige transparantie.

Het intreden van het faillissement
Nadat het faillissement is uitgesproken, stelt de rechtbank de aangewezen curator aan en benoemt zij de rechter-commissaris. Dit is slechts anders ingeval ‘de rechtbank redenen aanwezig acht om een andere curator aan te stellen dan wel een andere rechter-commissaris te benoemen’ (art. 14a Fw). Hierbij kan worden gedacht aan een vertrouwensbreuk tussen de beoogd curator en de schuldenaar, alhoewel een vertrouwensbreuk niet per definitie leidt tot het aanstellen van een nieuwe curator.[xliv]

Conclusie
De WCO I wordt aangeduid als een regeling die weinig wijzigingen meebrengt. Uiteraard heeft de pre-pack een wettelijke basis gekregen en is dit fenomeen niet langer ‘een realiteit die niet bestaat’, maar deze wettelijke regeling heeft een zeer summiere inhoud. De WCO I is beoogd als kaderregeling, die ruimte biedt voor nadere uitwerking door de praktijk. Het is dus afwachten hoe deze curieuze juridische figuur zich gaat ontwikkelen in de praktijk, maar op dit moment zie ik wel heil in de pre-pack. Vooral het voordeel van het behoud van (een deel van) de werkgelegenheid en een hogere going concern waarde spreken mij aan. De wet biedt zowel de beoogd curator als de beoogd rechter-commissaris voldoende adequate bevoegdheden om de inherente nadelen van de pre-pack zo veel mogelijk te voorkomen, dan wel te beperken. Zolang de beoogd curator en beoogd rechter-commissaris hier zorgvuldig mee omgaan, ontvang ik de pre-pack met open armen. Ik hoop in ieder geval dat de invulling door de praktijk geen goedkope botox van de WCO I maakt: in het begin lijkt het mooi, maar hoe ouder het wordt, des te gekker het gezicht.

* Niels van der Neut is masterstudent Arbeidsrecht en Privaatrechtelijke rechtspraktijk aan de Universiteit van Amsterdam.
[i] Voor een opsomming van de pre-packprocedures tussen 2011 en 2013 verwijs ik naar N.W.A. Tollenaar, ‘Van Pre-pack naar stille bewindvoering: een nuttige rechtsfiguur in de maak’, in: FIP 2013/6.

[ii] Art. 6 lid 3 Fw, HR 15 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ0542 (Tech Data/Partner Lease) en HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3705 (Van den Akker/In de Veste).

[iii] B.P.A. Santen & A. de Bos, Insolad jaarboek 2008: Doorstart, Deventer: Kluwer 2008, p. 1.

[iv] T.a.v. het aanbieden van een buitengerechtelijk akkoord is het wetsvoorstel (WCO II) ingediend. Voor een bespreking van de WCO II verwijs ik naar J.M. Hummelen, ‘Het dwangakkoord buiten faillissement en belangenconflicten onderzocht’, in: TOP 2016/175.

[v] B.P.A. Santen & A. de Bos, Insolad jaarboek 2008: Doorstart, Deventer: Kluwer 2008, p. 1.

[vi] Deze informatieverschaffing staat in geen enkel opzicht in relatie met de algemene informatieplicht van de curator ex art. 73a Fw.

[vii] N.W.A. Tollenaar, ‘Van Pre-pack naar stille bewindvoering: een nuttige rechtsfiguur in de maak’, in: FIP 2013/6

[viii] N.W.A. Tollenaar, ‘Van Pre-pack naar stille bewindvoering: een nuttige rechtsfiguur in de maak’, in: FIP 2013/6. Voorts poneert hij in dit kader dat een verkoop uit faillissement in alle opzichten een ‘fire sale’ is.

[ix] M.L. Noordam, ‘Pre-pack: nieuwe rol OR bij faillissement?’, in: AR 2015/487.

[x] M.R. van Zanten, ‘Aan het werk met de pre-pack!’, in: AR 2013/47.

[xi] Kamerstukken II 1923/24, 334, nr. 3, p. 2.

[xii] N.W.A. Tollenaar, ‘Faillissementsrechter van Nederland: geef ons de pre-pack’, in: TvI 2011/23.

[xiii] M.H.F. van Vugt, ‘De Nederlandse pre-pack: timeout, please!’, in: FIP 2014/1 en Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 1, 7 en 35.

[xiv] Rb. Midden-Nederland 3 juni 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:4365 (Estro).

[xv] J. Verbeek 2014, ‘Noodlijdend Estro omzeilt dwarse rechtbank via truc’, in: FD 3 september 2014.

[xvi] Zie o.a. G. Gispen, ‘De ‘’pre-pack’’ is ondeugdelijk en niet goed voor de gezamenlijke schuldeisers’, in: 40XL (liber amicorum M.J.M. Franken) 2013, J.V. Maduro, ‘Het wetsvoorstel continuïteit ondernemingen I: de rechtszekerheid gediend?’ in: FIP 2013/8, B.J. Tideman, ‘Kritische kanttekeningen bij de pre-pack’, in: FIP 2013, nr. 6 en W.J. van Andel, ‘Stop met de pre-pack’, in: TvI 2014/37.).

[xvii] Ben-Ishia en Lubben spreken van ‘a term which has developed a wealth of meanings’ (S. Ben-Ishai & S.J. Lubben, ‘Sales or Plans: A Comparative Account of the ‘New’ Corporate Reorganization’, 56 MCGill L.J. 591., p. 593).

[xviii] Voor een uitgebreide bespreking van de voordelen van de pre-pack verwijs ik naar N.W.A. Tollenaar, ‘Faillissementsrechter van Nederland: geef ons de pre-pack’, in: TvI 2011/23 en M.L. Noordam, ‘Pre-pack: nieuwe rol OR bij faillissement?’, in: AR 2015/487. Uiteraard zijn er ook critici, die o.m. wijzen op het ontwijken van bepaalde waarborgen die de reguliere insolventieprocedure biedt en het gebrek aan transparantie (zie o.a. G. Gispen, ‘De ‘’pre-pack’’ is ondeugdelijk en niet goed voor de gezamenlijke schuldeisers’, in: 40XL (liber amicorum M.J.M. Franken) 2013, J.V. Maduro, ‘Het wetsvoorstel continuïteit ondernemingen I: de rechtszekerheid gediend?’ in: FIP 2013/8, B.J. Tideman, ‘Kritische kanttekeningen bij de pre-pack’, in: FIP 2013/6 en W.J. van Andel, ‘Stop met de pre-pack’, in: TvI 2014/37.).

[xix] F.M.J. Verstijlen, Wet continuïteit ondernemingen en het bestuursverbod, Zutphen: Uitgeverij Paris 2014, p. 40.

[xx] Idem.

[xxi] Kamerstukken II 2014/15, 34 218, nr. 2.

[xxii] Uit 20 van de 48 door Hurenkamp onderzochte faillissementsverslagen blijkt dat (een deel van) de bedrijfsactiviteiten van de schuldenaar zijn voortgezet (Hurenkamp 2015).

[xxiii] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 4, 9, 10 en 52.

[xxiv] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 6, 9, 10, 17, 27 en 36.

[xxv] Volledigheidshalve merk ik op de WCO I mede voorziet in een pre-pack voor surseance van betaling, waar een ‘beoogd bewindvoerder’ i.p.v. een ‘beoogd curator’ optreedt.

[xxvi] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 28.

[xxvii] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 21 en 28.

[xxviii] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 47.

[xxix] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 11, 50 en 56.

[xxx] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 9, 10, 45 en 48.

[xxxi] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 11 en 49.

[xxxii] Naar mijn weten is een dergelijke voorwaarde tot op heden enkel verbonden bij de aanwijzing in de Estro-zaak (Rb. Midden-Nederland 3 juni 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:4365 (Estro)).

[xxxiii] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 23 en 55.

[xxxiv] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 5, 25, 26 en 55. Ter vergelijking: in Engeland ontbreekt een dergelijke rechterlijke toets in zijn geheel.

[xxxv] Hiermee wordt bedoeld dat de beoogd curator zijn taak verricht t.b.v. de gezamenlijke schuldeisers (art. 364 lid 1 Fw; Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 17 en 52, onder verwijzing naar HR 23 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1590 (Notaris M./Curatoren THB), met inachtneming van de belangen van de schuldenaar (HR 20 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4169 (Veluwse Nutsbedrijven/Blokland q.q)) en met de belangen van maatschappelijke aard zoals continuïteit van werkgelegenheid, kennis en productiviteit (HR 24 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1643 (Sigmacon II)). Dit ligt echter ietwat complexer omtrent de pre-pack, daar de schuldeisers pas verenigd worden in gezamenlijkheid nadat het faillissement is uitgesproken. Zie voor een nadere uitwerking van de rechtspositie van de beoogd curator F.M.J. Verstijlen, Wet continuïteit ondernemingen en het bestuursverbod, Zutphen: Uitgeverij Paris 2014, p. 45-46.

[xxxvi] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 19 en 53. Dit impliceert uiteraard niet dat de beoogd curator beschikt over dezelfde bevoegdheden als de curator in faillissement.

[xxxvii] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 17 en 18.

[xxxviii] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 19 en 20.

[xxxix] In dit kader wil ik opmerken dat de term ‘stille bewindvoerder’, wat in de literatuur veelvuldig wordt gehanteerd, incorrect is, aangezien dit een verandering in de beheers- en beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar impliceert in die zin dat de schuldenaar slechts beschikkingsbevoegd is met instemming van zijn bewindvoerder.

[xl] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 9, 19, 23, 32, 43 en 54.

[xli] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 12 en 57.

[xlii] Zie bijvoorbeeld de verslagen betreffende Estro (http://www.boekel.com/media/1137967/openbaar_verslag_1a_inzake_estro__stille_bewindvoering_.pdf) en Heiploeg (http://insolventies.rechtspraak.nl/pdf.ashx?ID=18_nne_14_28_F_V_01).

[xliii] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 12, 19 en 58.

[xliv] Kamerstukken II 2014/15, 34218, 3, p. 40, 41, 54 en 57.



There are no comments

Add yours